Ontdek

Assortiment

Van alledaags Delfts gebruiksgoed tot welhaast onnavolgbare Delftse pronkstukken

Dit alles behoorde tot het productassortiment van de Delftse 'porceleynbakkers'. Door de bakkers samengestelde prijslijsten en boedelinventarissen van bakkerijen geven samen met de nog overgeleverde objecten een overzicht van wat er in Delft in de loop der eeuwen werd geproduceerd. Eigentijdse benamingen zijn niet altijd te koppelen aan een bepaald type object, maar wel herkenbaar zijn bijvoorbeeld klapmutsen (kommen met omgeklapte bovenrand), rolwagens (cilindrische vazen), kwispedoors (spuugbakjes) of casbacken (kastkommen).

Globaal is een drietal soorten goederen te onderscheiden:

  • alledaags gebruiksgoed
  • sierlijk gebruiksgoed
  • siergoed

Typen

‘Gemeen’ of ‘slegt’ goed is het gewone, alledaagse (gebruiks)goed in een ongedecoreerde dan wel eenvoudig beschilderde uitvoering. Dit trof men bijvoorbeeld aan in de keuken in de vorm van borden, kommen, vergieten, en water- of mosterdpotten.

Onder sierlijk gebruiksgoed verstaat men onder andere het thee-, chocolade-, en koffiegoed met een vaak verfijnde beschildering. Theedrinken werd na 1680 een bijzonder gewild tijdverdrijf waarvoor kleine theepotjes en kopjes en schoteltjes nodig waren. Deze werden op grote schaal ingevoerd uit China, maar ook in Delft groeide de productie van theegoed sterk. In Delft werd theegoed ook in roodbakkend aardewerk, naar het voorbeeld van oosters steengoed uit Yixing (China), gemaakt. Met de ontwikkeling van de serviescultuur ontstond ook vraag naar terrines, kandelaars, olie- en azijnstellen, zoutvaatjes, strooibussen en andere luxe vormen.

Het pronk- of siergoed, aangeduid als ‘best’, verfraaide het interieur. Schotels, (bloem)vazen en potten werden opgesteld op richels rondom de kamer, op de schouw of boven deuren en grote potten sierde de lege stookplaats. Volgens de mode van die tijd werden kaststellen of grote kommen op de kap van een kabinet gezet en arrangeerde men porseleinopstellingen soms in speciaal daarvoor bestemde ruimten. Het was met name onder invloed van Mary II (1662-1695), de Engelse gemalin van koning-stadhouder Willem III (1650-1702), dat de Delftse ‘porceleynen’ zich in de late zeventiende eeuw ontwikkelden tot gewild sier- en gebruiksgoed. In de achttiende eeuw kan men bij siergoed ook denken aan plastieken van figuren of dieren, zoals de bekende Delftse koeien.

Behalve westerse vormen imiteerden de plateelbakkers ook oosterse modellen, zoals de kalebasfles, kendi, of rolwagen. Naast de veelheid aan vormen was een groot aantal modellen ook in diverse uitvoeringen te leveren: al dan niet met een geribde huid of met en zonder oor of deksel. Zo bracht men kaststellen in de jaren dertig van de achttiende eeuw in maar liefst tien typen op de markt.

Maatvoering

Behalve de verscheidenheid in type en uitvoering, was het mogelijk de keur aan modellen in soms wel tien maten te verkrijgen. Onderzoek van bedrijfsvoorraden en prijslijsten wijst uit dat bij de geproduceerde goederen sprake is van bepaalde standaardafmetingen. Bij de opsomming van de goederen hanteert men een reeks van maataanduidingen. Deze terminologie wordt reeds gebruikt in de eerste helft van de zeventiende eeuw, toen het Delfts 'porseleyn' in opkomst was. De heren XVII van de VOC bedienden zich deels van dezelfde terminologie voor porseleinbestellingen.

Voor schotels en borden zijn er tien telkens weer terugkerende maataanduidingen die luisteren naar de namen: vloot, grootste, groote middel, gemeene middel, kleyne middel, boter, twijfelaar, secier, cloeckarel en vetjes. Deze benamingen corresponderen met diameters van respectievelijk 42, 39, 35, 31, 25, 20-23 en 15 cm. , waarbij de kleinste drie formaten (secier, cloeckkarel en vetje) vooralsnog ongedefinieerd zijn. Het meest voorkomende formaat bord is het ‘boter’ formaat dat correspondeert met een diameter van 20 tot 23 centimeter. Formaten voor kannen worden ingedeeld in pins, halfpins, musjes, halfjes, kitjes en twijfelaars. Voor suikerpotten en dozen gelden aanduidingen van grote, tweede soort, derde soort en kleinste soort.

Decoratie

Het alledaagse gebruiksgoed leverde men ongedecoreerd, het zogenaamde wit Delfts, én met een sobere decoratie, het 'blaauw of geschildert'. Daarnaast bracht de Delftse producent sierlijk gebruiksgoed op de markt en voorwerpen die slechts een sierfunctie vervulden tot 'oogen lust en pronkery'. In die gevallen was doorgaans sprake van twee soorten beschilderingen die de graad van verfijning aangaven: 'basterd fijn' en 'fijn'. Het 'blaauw of geschildert' goed varieert dus van sober 'gemeen' (gebruiks)goed tot bijzonder sierlijk, 'fijn' beschilderd Delfts, het 'beste' goed. Afhankelijk van de verfijning van de decoratie was gedecoreerd faience anderhalf tot twee keer zo duur als het witte product.

Delfts aardewerk werd door de merendeels anoniem gebleven plateelschilders zowel in oosterse als westerse stijl gedecoreerd dan wel voorzien van chinoiserie voorstellingen. Aanvankelijk slechts in blauw uitgevoerd verschenen vanaf circa 1680 de eerste decoraties in kleur die zich in de achttiende eeuw tot een bont kleurenpalet ontwikkelde. Een bijzondere groep Delfts aardewerk heeft geen witte maar een gekleurde ondergrond, waarvan het ‘zwart Delfts’ als imitatie van oosters lakwerk en porselein het meest bekend is.

Voor de oosterse motieven golden als bron de decors van de opeenvolgende Chinese stijlperioden: Kraak, Overgangs, Kangxi en Qianlong porselein en van de Japanse motieven het Kakiemon en Imari decor. Tegenwoordig hanteert men deze benamingen van de oosterse porseleinstijlen ook om de op Delfts aardewerk toegepaste decors aan te duiden. Men spreekt van in Kraakstijl versierde schotels of van objecten met decoraties naar het voorbeeld van Overgangs- of Kangximotieven.

Voorts leverde de Delftse producent een belangrijke bijdrage aan de geboorte van een nieuwe Europese mode, de Chinoiserie. Bij uitstek in Delft wist men de onbekende exotische motieven naar eigen inventie over te brengen op Delfts aardewerk. De plateelschilder was in staat om in combinatie met Westerse stijlornamenten, een totaal nieuw decoratieschema te creëren. Daarbij werden de vormen zowel ontleend aan oosterse als westerse modellen.

De in Westerse stijl weergegeven decoraties tonen een scala aan voorstellingen, menigmaal toegepast naar een grafisch voorbeeld. Van historische gebeurtenissen op Oranje-ceramiek, bijbelse verhalen en heraldische voorstellingen tot landschappelijke taferelen en genreschilderingen naar voorbeeld van de Hollandse zeventiende-eeuwse schilderkunst. Kortom: de Delftse plateelschilders waren van alle markten thuis.

terug naar productieproces